FAQ Blusmiddelen
Onze servicemonteurs komen jaarlijks bij duizenden panden langs en krijgen daar steeds dezelfde vragen. We hebben de antwoorden hier gebundeld, van de wettelijke verplichting tot wat je met een gebruikte blusser doet.
Ben ik verplicht om brandblussers in mijn bedrijf te hebben?
Meestal wel, maar de verplichting komt zelden uit het Bbl. Het Besluit bouwwerken leefomgeving schrijft blustoestellen zelf nog maar in twee gevallen voor: wegtunnels en woonfuncties voor kamergewijze verhuur. Voor de meeste bedrijven ligt de grondslag in het Arbobesluit, artikel 3.8. Daarin staat dat op arbeidsplaatsen voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen aanwezig moeten zijn, afgestemd op de aard van het werk, de gevaren die daarbij horen en het aantal mensen dat aanwezig kan zijn. Daarnaast stellen verzekeraars vaak eigen eisen en kunnen blusmiddelen voortvloeien uit een gebruiksmelding of uit een gelijkwaardige oplossing.
Hoeveel brandblussers heb ik nodig?
Dat volgt uit NEN 4001, de projecteringsnorm. Je pand wordt daarvoor opgedeeld in projecteringszones, en binnen één zone geldt altijd één gebruiksfunctie. Per zone bepalen de oppervlakte en die functie het aantal. Voor een kantoor is dat één blustoestel van 6 kg of 6 liter per 300 m². Voor een winkel per 150 m² en voor horeca, industrie en praktijklokalen per 100 m². Gebruik je grotere toestellen van 9 tot 12 kg of 9 liter, dan mag de oppervlakte per toestel anderhalf keer zo groot zijn: 450, 225 en 150 m². De loopafstand vanaf elk punt in de zone tot het dichtstbijzijnde toestel mag nooit meer dan 20 meter zijn. Brandslanghaspels tellen mee als basisbeveiligingseenheid, mits ze veilig en doelmatig kunnen worden ingezet tegen de te verwachten brandrisico’s. CO2-toestellen tellen niet mee voor de basisbeveiliging; die zijn bedoeld als aanvulling bij gevoelige apparatuur of kleine klasse B-risico’s.
Mag ik afwijken van het aantal dat NEN 4001 voorschrijft?
Bij sommige gebruiksfuncties is dat expliciet voorzien. De norm markeert onder meer de industriefunctie, de winkelfunctie, praktijklokalen en de restcategorie overige gebruiksfuncties met een asterisk, en daarbij geldt dat via een RI&E wordt vastgesteld of van de tabelwaarden wordt afgeweken. Dat kan dus zowel naar boven als naar beneden uitpakken, afhankelijk van wat er in de ruimte gebeurt. Bij de overige functies zijn de tabelwaarden het uitgangspunt.
Waar moet een brandblusser hangen?
Zichtbaar en direct bereikbaar, bij voorkeur langs looproutes en bij uitgangen. NEN 4001 houdt een maximale loopafstand van 20 meter aan. Het Arbobesluit vraagt dat blusmiddelen gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn en dat ze zijn voorzien van een pictogram. Hang een blusser altijd in een beugel of zet hem in een houder, ook als je hem op de grond wilt plaatsen. Zonder vaste plek verdwijnt een blusser vanzelf naar een hoek waar niemand hem zoekt.
Wie is verantwoordelijk voor de blusmiddelen, de eigenaar of de huurder?
Het Arbobesluit legt de verantwoordelijkheid voor de arbeidsplaats bij de werkgever, dus bij de gebruiker van het pand. Het Bbl richt zich op eigenaar en gebruiker samen. Wie de kosten draagt is een kwestie van afspraken in de huurovereenkomst. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de verhuurder de aanschaf voor zijn rekening neemt en de huurder het jaarlijks onderhoud. Leg dat vast, want bij een controle wordt niet naar de huurovereenkomst gekeken maar naar de staat van de middelen.
Hoe vaak moeten blusmiddelen worden gekeurd?
Het Besluit bouwwerken leefomgeving vraagt ten minste eenmaal per twee jaar adequaat onderhoud van wettelijk voorgeschreven blustoestellen en brandslanghaspels. De onderhoudsnormen zelf gaan uit van jaarlijks onderhoud, en het REOB-certificatieschema staat niet toe dat een monteur een langere termijn dan een jaar op het onderhoudsetiket zet. Verzekeraars eisen doorgaans ook jaarlijks. Voor vrijwel elk bedrijf komt het daarmee neer op één ronde per jaar.
Welke normen gelden voor het onderhoud van blusmiddelen?
Er zijn er vier, elk voor een ander type middel. NEN 2559 voor draagbare blustoestellen, NEN 2659 voor verrijdbare blustoestellen, NEN-EN 671-3 voor brandslanghaspels en NEN 1594 voor droge blusleidingen en brandkranen. Onderhoud volgens deze normen wordt gezien als adequaat onderhoud in de zin van het Bbl. Heb je meerdere soorten middelen in je pand, dan gelden er dus ook meerdere normen naast elkaar.
Wat is het verschil tussen jaarlijks onderhoud, uitgebreid onderhoud en revisie?
NEN 2559 kent drie niveaus met vaste maximale intervallen. Onderhoud gebeurt elk jaar, op locatie, en bestaat uit een visuele controle, controle van druk en verzegeling en het aanbrengen van een nieuw onderhoudsetiket. Uitgebreid onderhoud volgt elke vijf jaar en geldt alleen voor water-, schuim- en watertoestellen met toevoeging: het toestel wordt geopend en de blusstof wordt vervangen. Voor poeder, CO2 en halon is uitgebreid onderhoud niet van toepassing. Revisie volgt elke tien jaar en geldt wel voor alle typen: het toestel wordt gedemonteerd en het drukvat beproefd. De maximale levensduur is voor alle typen twintig jaar.
Wie mag blusmiddelen keuren?
Iemand met een opleiding voor onderhoud aan blusmiddelen, het juiste gereedschap en kennis van de norm. In de praktijk betekent dat een REOB-erkend onderhoudsbedrijf. REOB staat voor Regeling Erkenning Onderhoudsbedrijven Brandbeveiliging. De Velco Servicedienst is REOB-erkend. Vraag bij een offerte altijd naar het erkenningsnummer, want de erkenning is per bedrijf en niet per monteur.
Mag ik mijn blusmiddelen zelf controleren?
Ja, en dat is ook de bedoeling. NEN 2559 gaat naast het onderhoud door de monteur uit van een regelmatige visuele controle door de gebruiker, vaak ingevuld als eens per kwartaal. Kijk of het toestel er nog hangt, of de verzegeling intact is, of de drukmeter in het groene vlak staat en of er geen deuken of roest op zitten. Die controle vervangt het onderhoud niet, maar vangt wel op wat er tussen twee bezoeken misgaat.
Hoe lang gaat een brandblusser mee?
Twintig jaar is de maximale levensduur volgens NEN 2559. In de praktijk gaan de meeste toestellen er eerder uit, omdat de kosten van uitgebreid onderhoud of revisie op enig moment hoger uitvallen dan een nieuw toestel. Bij schuimblussers speelt dat vaak al bij het uitgebreid onderhoud na vijf jaar, bij toestellen met permanente druk bij de revisie na tien jaar. De monteur legt die afweging aan je voor voordat er kosten worden gemaakt.
Wat moet ik doen met een brandblusser die is gebruikt?
Laat hem direct navullen, ook als je maar kort hebt geblust. Zodra de knijpkraan is ingedrukt, is de druk niet meer betrouwbaar en kan het toestel bij een volgende inzet tekortschieten. Hang een gebruikte blusser dus niet terug op zijn plek. Geef het aan ons door, dan nemen we hem mee of komen we ervoor langs.
Wat doe ik met een afgekeurde of oude brandblusser?
Niet bij het bedrijfsafval zetten. Een afgekeurd toestel bevat blusstof en meestal nog restdruk, en valt daarmee onder de afvalregels. Onze monteurs nemen afgekeurde toestellen mee tijdens de onderhoudsronde en voeren ze af via de daarvoor bestemde route. Vervang een afgekeurd toestel meteen, anders staat er een gat in je basisbeveiliging.
Wat betekenen de brandklassen A, B, C, D en F?
De brandklasse zegt wat er brandt en bepaalt daarmee welk blusmiddel werkt. Klasse A is vaste stoffen zoals hout, papier en textiel. Klasse B is brandbare vloeistoffen zoals benzine, olie en verf. Klasse C is gassen. Klasse D is brandbare metalen zoals magnesium en aluminium. Klasse F is bak- en frituurvet. Twee dingen worden vaak verkeerd ingeschat: een CO2-blusser is bij een gasbrand hooguit matig bruikbaar, en poeder is niet geschikt voor klasse F. Branden in lithium-ion accu’s vallen niet onder klasse D en vragen een eigen aanpak
Welk blusmiddel heb ik nodig?
Dat hangt af van wat er in de ruimte kan branden en van wat een blusmiddel aanricht als je het gebruikt. Poeder blust breed maar geeft veel nevenschade, schuim is binnen bijna altijd de betere keuze, CO2 is bedoeld voor elektrische apparatuur en een vetbrandblusser hoort in een keuken met een friteuse. Op onze pagina over de keuze van de juiste brandblusser staat het per situatie uitgewerkt. Twijfel je, laat een monteur dan een rondgang doen; de juiste keuze is per ruimte anders.
Is een schuimblusser beter dan een poederblusser?
Geen van beide is beter, ze passen bij een andere ruimte. Poeder blust klasse A, B en C en werkt tot -30 °C, wat het geschikt maakt voor buiten en voor onverwarmde ruimten. Daar staat tegenover dat poeder zich door het hele pand verspreidt en apparatuur en voorraad onbruikbaar kan maken. Schuim blust klasse A en B, geeft veel minder nevenschade en is daarom de standaard in kantoren, winkels en zorginstellingen. Voor onverwarmde ruimten bestaat er een vorstvrije schuimblusser. Poeder is niet geschikt voor klasse F.
Wat is het verschil tussen een patroonblusser en een blusser met permanente druk?
Bij een blusser met permanente druk staat het vat continu onder druk en zit er een drukmeter op. Bij een patroonblusser zit de druk in een apart CO2-patroon en komt het vat pas onder druk zodra je het toestel activeert; die heeft dan ook geen drukmeter. Permanente druk is goedkoper in aanschaf en het meest toegepast. Een patroonblusser kan ter plaatse worden geopend en inwendig worden beoordeeld en is minder gevoelig voor drukverlies, wat hem geschikt maakt voor omstandigheden met trillingen of sterke temperatuurwisselingen. Voor een gewoon kantoor of magazijn voldoet permanente druk.
Moet een brandblusser aan de muur hangen?
Ja, of anders in een daarvoor bedoelde houder of blusserkast. Het Arbobesluit vraagt dat blusmiddelen gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn, en een los toestel op de vloer valt om, verdwijnt achter voorraad of wordt verplaatst. Voor buiten en voor stoffige of natte ruimten gebruik je een blusserkast, die het toestel beschermt zonder de bereikbaarheid weg te nemen. Zorg dat de plek is aangeduid met een pictogram, zodat direct opvalt wanneer een toestel weg is.
Bevatten mijn schuimblussers PFAS?
Dat hangt af van het type schuim. Klassiek blusschuim op basis van AFFF bevat fluorverbindingen en daarmee PFAS. De EU heeft het gebruik in fasen aan banden gelegd via Verordening (EU) 2025/1988. Op het etiket staat niet altijd betrouwbaar of een middel fluorvrij is. Wil je zekerheid, dan adviseert de Inspectie Leefomgeving en Transport een monster te laten analyseren door een geaccrediteerd laboratorium. Op onze pagina over PFAS in blusmiddelen staan de termijnen en de stappen om de vervanging te plannen zonder dat alles tegelijk moet.
Welk blusmiddel gebruik ik bij een brand in een lithium-ion accu?
De brandklasse zegt wat er brandt en bepaalt daarmee welk blusmiddel werkt. Klasse A is vaste stoffen zoals hout, papier en textiel. Klasse B is brandbare vloeistoffen zoals benzine, olie en verf. Klasse C is gassen. Klasse D is brandbare metalen zoals magnesium en aluminium. Klasse F is bak- en frituurvet. Twee dingen worden vaak verkeerd ingeschat: een CO2-blusser is bij een gasbrand hooguit matig bruikbaar, en poeder is niet geschikt voor klasse F. Branden in lithium-ion accu’s vallen niet onder klasse D en vragen een eigen aanpak.

Staat je vraag er niet bij?
Neem contact met ons op. Je vraag komt hier misschien straks ook te staan.